Bezoek politieke website Lode Vereeck Prof.dr. Lode Vereeck

Een lapmiddel voor de loonhandicap

donderdag 6 oktober 2016  Roeland Byl

Moeten we bedrijfssubsidies afschaffen? De vraag mag gesteld worden, nu blijkt dat multinationals zoals Caterpillar er royaal gebruik van maken, maar als puntje bij paaltje komt toch gewoon fabrieken sluiten. Maar de bedrijfssubsidies afschaffen is niet vanzelfsprekend.

 

“We moeten lessen trekken uit de Caterpillar-case”, zegt Jean-François Tamellini, topman van de Waalse socialistische vakbond FGTB. “Ik heb er geen probleem mee dat bedrijven subsidies of kortingen krijgen, als dat tot resultaten leidt op de arbeidsmarkt. Tegenover subsidies aan multinationals moet banencreatie staan. Het kan niet de bedoeling zijn dat belangrijke sommen belastinggeld worden doorgestort naar de aandeelhouders.”

Weinigen stellen het zo scherp als Tamellini, maar er worden dezer dagen wel vraagtekens geplaatst bij het subsidiebeleid in België. Hoe groot is de pot met bedrijfssubsidies? Worden ze juist besteed? Is het steunbeleid te versnipperd? En hoe relevant is het subsidiëren van bedrijfswinsten in budgettair moeilijke tijden? Of vinden de bedrijven die ze nodig hebben, niet de weg naar deze belangrijke hefbomen? Over subsidies aan bedrijven doen dan ook heel wat mythes de ronde. En zoals vaak gaapt tussen de mythe en de werkelijkheid een kloof.

 

Stelling 1: 10 miljard euro bedrijfssubsidies

Volgens de cijfers van de Nationale Bank is België een Europees subsidieparadijs. De tegemoetkomingen aan ondernemingen zijn goed voor meer dan 2,7 procent van het bruto binnenlands product (bbp), of zo’n 10 miljard euro. Daarmee zit België in het Europese koppeloton. Onze drie buurlanden besteden gemiddeld 0,8 procent van hun bbp aan bedrijfssubsidies.

Bij dat cijfer zijn vraagtekens te plaatsen. Het omvat zeer uiteenlopende steunmaatregelen, zoals fiscale kortingen, geld voor innovatie, steun voor onderzoek en investeringen, loonsubsidies en opleidingssteun. De Nationale Bank rekent bijvoorbeeld ook overheidsuitgaven mee zoals de investeringstoelagen aan de NMBS en de uitgaven voor dienstencheques. Het is moeilijker om die te bestempelen als een zuivere subsidie aan bedrijven.

“Hetzelfde geldt voor de middelen voor de activering van werknemers uit risicodoelgroepen”, zegt politicus en professor economie Lode Vereeck (Open Vld/UHasselt). “Dat zijn veeleer loonkostenverlagingen of in een aantal gevallen loonbonussen voor werknemers. De werkhervattingstoeslag voor 55-plussers bijvoorbeeld komt ten goede aan de werkloze die een baan vindt. Vorig jaar gaf de RVA daarvoor 34,71 miljoen euro uit.”

Volgens de nationale rekeningen vallen fiscale maatregelen als de vermindering van de bedrijfsvoorheffing aan ondernemingen – zowel de algemene als die voor ploegenarbeid en nachtwerk – wel onder subsidies aan bedrijven. Jaar na jaar neemt het gewicht van zulke lastenverlagingen bovendien toe. Van amper een paar procentpunt van het bbp tien jaar geleden tot zo’n 1,2 procent van het bbp (5 miljard euro) vandaag.

De betoelaging waaraan iedereen denkt bij het woord subsidies, is intussen echter een regionale materie. “Federaal zijn er wel fiscale maatregelen, maar echte subsidies aan bedrijven zijn er nauwelijks”, zegt Wouter Desmet, de specialist bedrijfssubsidies van EY. “De meeste subsidies zitten bij de regio’s. Dat heeft te maken met de tendens dat Europa ongeoorloofde staatssteun terugfluit enerzijds, terwijl het anderzijds wil dat lidstaten inzetten op meer onderzoek & ontwikkeling. Maar dat zijn regionale bevoegdheden.”

Volgens Vincent Thoen van het Voka-kenniscentrum bedragen de directe Vlaamse subsidies aan bedrijven zo’n 360 miljoen euro. De indirecte subsidies, die gaan naar allerhande intermediaire organisaties zoals Flanders DC of BAN Vlaanderen, zitten daar niet in. Toch maakt Vlaams minister van Economie en Innovatie Philippe Muyters (N-VA) een bedenking bij dat cijfer. “Het is veel meer. Reken je ook het clusterbeleid mee? En de leningen en waarborgen van PMV, die horen toch ook tot het bedrijfsondersteunende beleid? Afhankelijk van wat je definieert als subsidie verandert het cijfer. Een van de dingen waar ik mij op concentreer, is het vereenvoudigen van het instrumentarium. Ik wil de drempels in het ondersteuningsbeleid verlagen. Vroeger vertelde PMV een kmo wat het allemaal in de aanbieding had, nu kijken de ambtenaren zelf waar een onderneming het meest mee gebaat is: een waarborg of een instap. Waar een kmo voorheen het bos en de bomen niet meer zag, zijn we nu klantgericht en luisteren we naar de noden van die kmo. Diversiteit in het instrumentarium is daarbij geen luxe, want een lening, een waarborg, een participatie of betoelaging werken nu eenmaal niet op dezelfde manier.”

 

Stelling 2: Zonder subsidiologen lukt het niet

In principe worden alle bedrijven gelijk behandeld. Toch klinkt vaak de kritiek dat kmo’s door de administratieve molen de weg niet vinden naar overheidssteun. Zonder subsidiologen lukt het niet. “Het is begrijpelijk dat een tegenprestatie wordt gevraagd voor een smak belastinggeld, maar voor kmo’s is het lastiger”, weet Lode Vereeck. “Zeker voor onderzoeks- en ontwikkelingssteun is het belangrijk ze een duwtje in de rug te geven. Deze en de vorige Vlaamse regering hebben al werk gemaakt van lichtere administratieve procedures. Zo staan de Vlaamse provinciale innovatiecentra dicht bij de kmo’s. Een subsidiedossier opstellen blijft een lastig karwei, maar kmo’s die moeite doen om zich te laten helpen, zijn over het algemeen tevreden.”

Heel wat subsidie-instrumenten zijn exclusief voor kmo’s opgezet, zoals de Vlaamse kmo-portefeuille (50 miljoen euro), het Vlaamse kmo-programma (32 miljoen) en de kmo-groeisubsidie (10 miljoen). Sommige subsidie-instrumenten zijn bovendien toegankelijker voor kmo’s door de minder strenge voorwaarden en eenvoudiger procedures. Het steunpercentage ligt ook vaak hoger voor kmo’s. Het resultaat van dat alles: 71 procent van de gesteunde bedrijven zijn kmo’s. Voor innovatiesteun kennen daarentegen vooral de grote multinationals de weg: 62 procent van de aanvragers zijn in die categorie grote ondernemingen, 8 procent middelgrote en 30 procent kleine ondernemingen.

Vincent Thoen: “Grote ondernemingen hebben meer middelen om een team van experts in te schakelen dat up-to-date blijft in subsidieland, aanvraagdossiers uitschrijft en indient. Bij heel wat kmo’s zijn die voorstellen niet eens bekend. Maar net daar ligt een rol voor werkgeversorganisaties als Voka of initiatieven als Flanders DC die bedrijven deze instrumenten willen leren kennen.”

Ook EY heeft subsidiologen in dienst. Zij zien een markt in het landschap voor bedrijfssubsidies ontstaan. Zegt Wouter Desmet: “Meestal maken bedrijven wel de klik over het fiscaal inbrengen van investeringen, maar de mogelijkheden van subsidies blijven nog te vaak een blinde vlek. Onze toegevoegde waarde zit in de eerste plaats in de identificatie van die mogelijkheden. Niet iedereen heeft de kennis en mankracht om dat te doen. Daarnaast kruipt het gros van onze tijd in de aanvraag zelf. Hoe complexer die is, hoe meer wij het verschil kunnen maken.”

De doorsnee Vlaamse ondernemer zeurt al decennia dat het subsidiebos veeleer een jungle is. Maar daaraan probeert de Vlaamse regering al even lang wat te doen. Dat lijkt stilaan ook een beetje te lukken. Onder andere door het fuseren van het voormalige agentschap Ondernemen en het IWT. Minister Muyters: “We hebben het instrumentarium waarop een kmo een beroep kan doen vereenvoudigd. Een kmo die externe expertise zoekt, steun voor buitenlandse handel wil, mensen aanwerft of wil investeren in onderzoek & ontwikkeling, passeert via hetzelfde loket. Ook onze aanpak is versoepeld. We proberen in te spelen op wat de markt vraagt en ondernemers vertrouwen te geven. Ik wil niet vervallen in een administratieve rompslomp die ondernemers laat afhaken.”

 

Stelling 3: Beter een algemene lastenverlaging dan subsidies

Een idee dat in budgettair krappe tijden terrein wint: waarom het woud bedrijfssubsidies niet rooien en vervangen door een algemene lastenverlaging? Dan wordt in eerste instantie gedacht aan een lagere vennootschapsbelasting. Eenvoudig is dat niet omdat slechts een deel van wat de Nationale Bank als subsidies bestempelt, ook door de federale overheid wordt uitgegeven. De rest komt van de gewesten en lokale besturen. Het afschaffen van subsidies zou dus meer inhakken op de budgetten van de deelstaten, terwijl een verlaging van de vennootschapsbelasting enkel aan de federale staat geld kost.

“Ik vind het verlagen van de vennootschapsbelasting ook doeltreffender”, zegt minister Muyters. “Behalve als het gaat over O&O. We zitten in dit land echter met een staatsstructuur waarin de vennootschapsbelasting federaal is, terwijl de subsidies voornamelijk een regionale bevoegdheid zijn. In 2010 zijn er discussies geweest om een deel van de vennootschapsbelastingen te regionaliseren, maar de PS zag dat niet zitten en wou het subsidiemechanisme behouden. Daarmee wil ik niet beweren dat er nu wel een draagvlak zou zijn om een verlaging van de vennootschapsbelasting te koppelen aan de vermindering van subsidies voor ondernemingen. Dat staat los van elkaar.”

“Subsidies aan bedrijven zijn second best ”, vindt ook Vereeck. “Maar daarom zou ik ze nog niet afschaffen. Het beste beleid is namelijk niet mogelijk. Voor een aantal fiscale domeinen is Vlaanderen nu eenmaal niet bevoegd. Bedrijfssubsidies zijn in mijn ogen een vorm van realpolitik. Ze creëren een hefboomeffect, maar blijven een lapmiddel om de fiscale druk te verlichten. In de meeste gevallen zou een directe vermindering van de fiscale druk op vennootschappen beter zijn. In principe heb je structureel beleid nodig om met een taxshift onze competitiviteit te herstellen. Je ziet deze regering die weg opgaan en dat laat zich voelen in een netto-aangroei van de tewerkstelling in de privésector. Daarnaast is er behoefte aan een ecosysteem waarin onderzoeksinstellingen en bedrijven clusteren.”

Ook Vereeck maakt voor O&O-subsidies een uitzondering. “Al moeten we in Vlaanderen wat meer weg van het innovatiebeleid en meer inzetten op innovention . De return on investment voor onderzoek mag wel wat naar omhoog. Maar in het algemeen beschouw ik subsidies voor onderzoek & ontwikkeling als een investering in een ecosysteem. Dat is zoals investeren in wegeninfrastructuur of kanalen. Onderzoeksinfrastructuur maakt een goede verankering van werkgelegenheid en kennis mogelijk. Bedrijven komen naar Vlaanderen omdat we logistiek interessant zijn gelegen, maar ook om onze goede onderzoekers en de beschikbaarheid van cultuur. Ja, in die zin dragen ook cultuursubsidies bij aan het economische weefsel.”

Bij EY gaan de specialisten nog verder in hun positieve waardering voor subsidies. “De kwestie is eigenlijk hoeveel private middelen de subsidies mobiliseren”, zegt Desmet: “Vaak gaan investeerders en banken makkelijker mee als er subsidies zijn. Die hefboom is belangrijk in tijden van budgettaire schaarste. Eigenlijk is het voor een overheid in veel gevallen ook goedkoper om via subsidies dingen in beweging te zetten, dan ze volledig via de fiscaliteit te faciliteren. Een overheid die voldoende middelen heeft, kan rustig kiezen voor de fiscale optie. Zijn de middelen schaars, dan kies je beter voor subsidies. Op die manier belet je dat bedrijven die onvoldoende ambitieus zijn, mee profiteren van het financiële voordeel. Uiteindelijk willen burgers dat de middelen efficiënt worden besteed. In die zin zijn subsidies een bestuursmiddel om je economie aan te sturen.”

Er zijn bovendien studies die aantonen dat een mix van subsidies en fiscale incentives het grootste rendement biedt. Vincent Thoen waarschuwt voor een beleid dat enkel voor fiscale maatregelen kiest. “Nederland heeft onder eerste minister Jan-Peter Balkenende alle bedrijfssubsidies afgebouwd en afgeschaft”, zegt hij. “Maar het is op die beslissing teruggekomen. Onder andere hightechbedrijven in de regio rond Eindhoven vreesden voor een concurrentieel nadeel als elders wel nog O&O-subsidies werden toegekend en niet meer in Nederland. Een verstandige analyse. Subsidies maken zeer gericht een bepaald beleid mogelijk dat een zichtbaar effect heeft op de economie.”

Toch wijst Vereeck op de absurditeit van sommige maatregelen. Neem de verlaging van de bedrijfsvoorheffing op onderzoekspersoneel. “Voor zo’n loonsubsidie ga je eerst de vennootschappen belasten om daarna de kostprijs van bepaalde groepen personeel te verlagen. Dat is een vestzak-broekzakoperatie. Maar ik geef toe: in dit land is het een belangrijke maatregel. De universiteiten, maar ook de O&O-afdelingen van bedrijven, gebruiken de korting veelvuldig. Is dat een bedrijfssubsidie of een belastingverlaging? Je kunt het beschouwen als een belastingverlaging voor doelgroepen en daar ben ik uiteindelijk dus wel voor te vinden. Hetzelfde geldt voor de fiscale aftrek van inkomsten uit octrooirechten.”

En wat dan met bedrijven als Ford en Carterpillar? Zijn de subsidies die zij kregen weggesmeten geld? “Achteraf is het makkelijk praten”, reageert Muyters. “Er zijn ook voorbeelden van bedrijven die dankzij onze ondersteuning juist bijkomende investeringen hebben gedaan. Ik denk aan Nike, aan DAF Westerlo en vele andere. Subsidies zullen op zich nooit volstaan om een bedrijf in Vlaanderen te houden. Daarin spelen ook elementen als de beschikbaarheid van bekwaam personeel, een lage samenwerkingsdrempel met onderzoeksinstellingen, goede opleidingsmogelijkheden en een logistiek netwerk mee. De hoge loonkosten zijn een negatief element en de hoge levensstandaard in Vlaanderen dan weer positief. Met andere woorden: bedrijfssteun is slechts één element in het totaalpakket.”

 

Trends, pag. 38.

← Terug naar het overzicht